Dit ervaringsverhaal gaat over een jongen die op de middelbare school in de online criminaliteit belandde. Het laat zien hoe belangrijk het is dat scholen, politie en hulpverleners signalen van ouders oppakken en daar gezamenlijk actie op ondernemen. 

Dit ervaringsverhaal is gepubliceerd met toestemming.

‘Het begon onschuldig toen hij nog op het speciaal onderwijs zat. Een jongen die er gewoon bij wilde horen, die stoer wilde doen op de middelbare school. Maar wat begon met wat bijverdienen, groeide uit tot een leven vol online criminaliteit. Hij zette advertenties op Marktplaats, liet mensen betalen maar leverde de producten nooit. Later ging hij over op online fraude via betaalapps zoals Klarna en Tikkie. Hij leerde hoe je snel geld kon verdienen — ten koste van anderen – en hoe hij ermee wegkwam.

Toen wij, zijn ouders, hem geen geld meer gaven, zocht hij andere manieren. Uiteindelijk leende hij zelfs zijn identiteitskaart uit, waardoor er op zijn naam goederen werden besteld en cryptovaluta werden aangemaakt. Zonder goed te beseffen wat hij deed, werd hij onderdeel van online witwaspraktijken. Hij liet zijn bankrekening gebruiken door criminelen en werd zo een geldezel. Voor elke duizend euro die binnenkwam, hield hij er honderd zelf. Makkelijk geld, dacht hij. Zo bleef hij gevangen in een netwerk van online criminelen en witwassers.

Toen hij achttien was, kreeg hij van de politie een brief waarin stond dat hij als ‘geldezel’ was aangemerkt – iemand die zijn bankrekening laat gebruiken voor criminele transacties. Ook liepen er diverse aangiftes tegen hem voor oplichting. In plaats van geschrokken te zijn, was hij trots. 

Via TikTok en Snapchat liet hij de brief van de politie trots aan de wereld zien. Zo kreeg hij respect, likes en volgers — en trok hij andere kwetsbare jongeren mee dezelfde wereld in.

Wij zagen het gebeuren maar niemand greep in. Als ouders probeerden we herhaaldelijk hulp te krijgen van banken, scholen, hulpverleners en politie, maar niemand deed iets. Je bent roepende in de woestijn. Banken zeiden dat de bedragen te klein waren om als witwassen te zien, scholen hielden zich afzijdig en wezen naar hulpverleners, en de hulpverleners verwezen naar elkaar. Toen hij meerderjarig werd, stonden we als ouders volledig buitenspel.’