Deze tijdlijn brengt het belang van informatie-uitwisseling in het sociaal domein in beeld. Vanuit het perspectief van de wijkteammedewerker worden herkenbare afwegingen belicht.
Wijkteammedewerker Mo Peetoom
Dilemma
Op welke manier kun je als professional informatie opvragen?
In de casus vertaalt de jeugdhulpverlener de problematiek van de ouders door naar de veiligheid van de kinderen. Hij wil de signalen van mogelijke onveiligheid toetsen en informeert bij betrokken hulpverlening rond het gezin. Hij bereikt niet het gewenste resultaat, omdat hij Dorien niet heeft geïnformeerd. Het is aan hem om haar duidelijk te maken voor welk doel de informatie nodig is: hij kan betere hulp bieden als hij weet wat er speelt in het gezin en weet welke invloed de psychische problematiek op de dynamiek thuis kan hebben. Daarbij hoort ook dat hij aangeeft dat de informatie die gedeeld wordt alleen dat doel dient. Het is transparanter voor haar als hij haar uitnodigt erbij te zijn als hij de informatie opvraagt.
Als de jeugdhulpverlener bij de psycholoog informatie opvraagt, is het van belang dat hij drie dingen aangeeft: of Dorien toestemming heeft gegeven, wat het doel is van het opvragen van de informatie en welke informatie hij precies nodig heeft. Hiertoe kan óf hij óf Dorien een getekende toestemmingsverklaring naar de psycholoog sturen. Ook de psycholoog dient Dorien te informeren welke informatie hij verstrekt aan de jeugdhulpverlener.
Dilemma
Wat kun je als professional zonder toestemming doen in de situatie dat je je zorgen maakt?Lees hieronder de toelichting.
De jeugdhulpverlener heeft aan Dorien gevraagd of hij contact kan opnemen met de school. Het zou goed zijn als hij aan zowel Dorien als Ricardo – zij hebben immers beiden het gezag over de kinderen – meer uitleg had gegeven over waarom het contact met de leerkracht van Damian belangrijk is.
Hij had kunnen aangeven dat zij met informatie over de vervelende thuissituatie Damian beter kan helpen als er iets speelt op school. De leerkracht ziet Damian immers een groot deel van de tijd en kan – als deze op de hoogte is - beter helpen als er wat speelt op school. Daarnaast had de jeugdhulpverlener Dorien en Ricardo kunnen vertellen dat het niet nodig is om alle informatie te delen met de school. Het gaat enkel om informatie die relevant is voor de leerkracht. Hij had ook kunnen aangeven dat hij met de leerkracht zou bespreken dat de informatie alleen maar voor de school is bedoeld. Die mag geenszins met anderen, zoals andere ouders, worden gedeeld.
Het is belangrijk aan de cliënt uit te leggen wat het doel is van het delen van informatie met de school. En wat hiervan het effect kan zijn. De vorm kan verschillen. Ouders kunnen zelf in gesprek gaan met de school. Er kan telefonisch overleg zijn tussen de jeugdhulpverlener en de school. Of er is een overleg tussen de school, de jeugdhulpverlener en de ouders.
Vermoedens van kindermishandeling kunnen - eventueel zonder toestemming van de cliënt - bij andere bij het gezin betrokken hulpverleners getoetst worden. Ook is met hen hulp onderling af te stemmen. Het achterwege laten van toestemming vragen kan bijvoorbeeld uit vrees voor de veiligheid van de kinderen uit het gezin. Als de zorgen worden bevestigd, dient de jeugdhulpverlener de stappen uit de Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling te volgen.
Als er geen vermoedens van kindermishandeling zijn, kan de jeugdhulpverlener niet zonder toestemming van de ouders contact opnemen met de leerkracht. Gelet op het zorgmijdende gedrag van de ouder(s) kan hij wel een registratie in de landelijke Verwijs Index Risicojongeren (VIR) overwegen en dit met hen bespreken.
Het is belangrijk je afwegingen gedegen te maken en te noteren. Dit geldt vooral in de situatie dat er geen toestemming is van de cliënt of zijn ouders of wettelijke vertegenwoordigers. Daarnaast dien je een aantal relevante zaken te noteren in het dossier. Het gaat erom:
- waarom de cliënt (geen) toestemming heeft gegeven;
- welke afweging heeft geleid tot het al dan niet verstrekken van informatie;
- of dit besproken is met een collega;
- aan wie de informatie is verstrekt;
- wat het doel en de noodzaak was;
- welke gegevens zijn verstrekt en of en op welke wijze de cliënt hierover is geïnformeerd.
Relevante links
Alhoewel Dorien en Ricardo hebben ingestemd met dit contact besluit de jeugdarts zich voorzichtigheidshalve te houden aan haar beroepsgeheim. Ze wisselt geen informatie uit met de jeugdhulpverlener. Dit, omdat ze de ontwikkelingsachterstand van Liza niet zorgelijk genoeg vindt. Maar ook omdat een collega onlangs een waarschuwing van het tuchtcollege heeft gekregen: hij had te veel informatie gedeeld, zonder dat hiervoor toestemming was gegeven door de ouders.
Dilemma
Welke informatie kun je delen met een professional die toestemming heeft gekregen om informatie op te vragen?Lees hieronder de toelichting.
We zien met regelmaat dat professionals geen informatie delen, omdat ze bang zijn voor een tuchtmaatregel. Deze angst lijkt in veel gevallen niet terecht. In dit geval hadden de ouders van Liza er immers toestemming voor gegeven dat de jeugdhulpverlener contact zou zoeken met de jeugdarts van het consultatiebureau om te vragen of zij zorgen had over de ontwikkeling van Liza. De jeugdarts had – bij twijfel over de toestemming – de ouders kunnen benaderen om deze toestemming te toetsen. En direct kunnen bespreken welke informatie zij met de jeugdhulpverlener wilde delen. Bij (gerichte) toestemming is de kans niet groot dat de ouders een tuchtklacht indienen. Dat geldt ook voor de kans dat een tuchtrechter de jeugdarts een maatregel zal opleggen voor het overtreden van de beroepsnorm wegens schending van het beroepsgeheim.
De kans op een gegronde tuchtklacht vanwege onterechte informatie-uitwisseling vermindert ook aanzienlijk bij een goede dossiervoering. En ook een goede onderbouwing helpt. Voor goede dossiervoering is kennis nodig en sturing vanuit het management, want er moet tijd voor zijn. We zien dat sommige instellingen niet, of slechts beperkt, aandacht besteden aan de manier waarop een professional een dossier aanlegt.
Het is belangrijk je afwegingen gedegen te maken en te noteren. Dit geldt vooral in de situatie dat er geen toestemming is van de cliënt of zijn ouders of wettelijke vertegenwoordigers. Daarnaast dien je een aantal relevante zaken te noteren in het dossier. Het gaat erom:
- waarom de cliënt (geen) toestemming heeft gegeven;
- welke afweging heeft geleid tot het al dan niet verstrekken van informatie;
- of dit besproken is met een collega;
- aan wie de informatie is verstrekt;
- wat het doel en de noodzaak was;
- welke gegevens zijn verstrekt en of en op welke wijze de cliënt hierover is geïnformeerd.
Dilemma
Welke informatie kun je als professional informeel delen? Hoe ga je om met informele verzoeken?Lees hieronder de toelichting.
Dilemma
Wat kun je als professional doen bij signalen over een mogelijk onveilige situatie van een kind?Lees hieronder de toelichting.
In de casussituatie heeft de jeugdhulpverlener de signalen in kaart gebracht, besproken met een collega en met de ouders. Daarmee heeft de hij de eerste drie stappen van de meldcode gevolgd om vast te stellen of er sprake is van een onveilige situatie voor de kinderen. Hij kan eventueel ook nog overleggen met Veilig thuis. Als hij tot de conclusie komt dat er sprake is van een structurele of acuut onveilige situatie (stap 4 van de meldcode) dan moet hij een melding doen bij Veilig Thuis en afwegen of hij zelf hulp kan bieden en of het inschakelen van andere hulpverleners gewenst is (stap 5). Veilig thuis kan helpen bij die afweging.
Daarnaast kan hij, maar ook de school, de betrokkenheid bij het kind melden in de landelijke Verwijs Index Risicojongeren (VIR). De VIR is immers bedoeld om vroegtijdig risicofactoren te signaleren die een jeugdige in zijn ontwikkeling naar volwassenheid kunnen belemmeren. In de Jeugdwet is een lijst van risicofactoren opgenomen (Jeugdwet artikel 7.1.4.1). Die zijn vrij ruim geformuleerd. Op deze wijze biedt de wet zowel zekerheid als flexibiliteit.
Relevante links
Dilemma
Wanneer en op welke gronden is een melding in de landelijke Verwijs Index Risicojongeren (VIR) gewenst?Lees hieronder de toelichting.
De jeugdhulpverlener en de leerkracht kunnen op grond van artikel 7.1.4.1. van de Jeugdwet een melding doen in de landelijke Verwijs Index Risicojongeren (VIR). De VIR is bedoeld om vroegtijdig risicofactoren te signaleren die een jeugdige in zijn ontwikkeling naar volwassenheid kunnen belemmeren. Denk aan de blootstelling aan geweld (vanwege de ruzies tussen de ouders), de verwaarlozing (het zonder ontbijt verschijnen op school) en de ernstige opgroeiproblemen (teruggetrokken zijn en dwars gedrag gedurende maanden). Eén van deze factoren kan al genoeg zijn voor een melding in de VIR. Door de melding kunnen andere professionals die zich zorgen maken, via de VIR met de school en het wijkteam in contact komen. Als meerdere dienst- en hulpverleners een melding in de VIR maken, wordt de situatie waarschijnlijk als zorgelijker ervaren. Op grond hiervan kan dan – na afweging – informatie worden uitgewisseld. Uiteraard is het zaak daarvoor eerst weer toestemming te vragen aan de ouders of wettelijke vertegenwoordigers van het kind. Als die niet komt, kan eventueel toch met andere bij het gezin betrokken hulpverleners worden overlegd. Doel is het vermoeden van opgroeibelemmering te toetsen of om hulp onderling af te stemmen.
Soms wordt het vragen om toestemming achterwege gelaten. Dat gebeurt bijvoorbeeld uit vrees voor de veiligheid van de kinderen uit het gezin. Het is aan de hulpverlener om uit te maken of overleg met een andere betrokken professional nodig is of niet. Zo kan een overweging zijn dat op die manier een melding bij Veilig Thuis wellicht is te voorkomen of dat deze beter is te onderbouwen. De zorgplicht van de hulpverlener jegens het kind, zoals deze voortvloeit uit het vereiste van goed hulpverlenerschap, brengt dan met zich mee dat de hulpverlener zich daarvoor inspant.
Het kan onvermijdelijk zijn dat de hulpverlener overlegt met andere professionals om te weten of zijn vermoeden door hen wordt herkend of niet, zo nodig zonder toestemming van de ouders of wettelijke vertegenwoordigers. Zou de hulpverlener deze ruimte juridisch niet hebben, dan kan hij de verantwoordelijkheden niet waarmaken die krachtens de Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling op hem rusten. Als de zorgen worden bevestigd, dient de hulpverlener de stappen uit de Meldcode te volgen.
Relevante links
Dilemma
Welke informatie kun je verstrekken aan Veilig Thuis?Lees hieronder de toelichting.
ls Veilig Thuis onderzoek doet naar mogelijke kindermishandeling hoeven professionals (alle beroepsgroepen) geen toestemming aan cliënten te vragen om (relevante) informatie met haar te delen. Het is belangrijk dat Veilig Thuis over voldoende informatie beschikt om een goede veiligheidsinschatting te kunnen maken. Op grond van de wet mogen professionals daarom informatie met Veilig Thuis delen als dit noodzakelijk is om een situatie van kindermishandeling te beëindigen. Of om een redelijk vermoeden daarvan te onderzoeken. Dit kan dus tot een doorbreking van het beroepsgeheim leiden.
In deze casus is het van belang dat de jeugdhulpverlener het doel van informatie verstrekken voor ogen houdt. En niet meer informatie verstrekt dan nodig is. Het gaat om die informatie die Veilig Thuis nodig heeft om een goede veiligheidsinschatting te maken. Het afwijkende gedrag van Damian op school, de heftige ruzies tussen de ouders die hij meemaakt, het gebrek aan ontbijt en het vieze huis: signalen die de jeugdhulpverlener met Veilig Thuis kan delen. De jeugdhulpverlener kan Veilig Thuis ook op de hoogte stellen van de betrokkenheid van een psycholoog bij Dorien. Veilig Thuis kan dan bij deze psycholoog navraag doen om de veiligheidsinschatting compleet te maken.
Relevante links
Wijkteammedewerker II
Het wijkondersteuningsteam in de nieuwe gemeente krijgt een telefoontje van de wijkagent. Hij heeft meldingen gehad van buurtbewoners over een gezin dat er pas net woont. Hij denkt dat opvoedondersteuning kan helpen. De wijkteammedewerker die ondersteuning biedt aan volwassenen probeert contact te zoeken met Dorien. Haar collega neemt contact op met de organisaties die betrokken zijn bij de kinderen.
Binnen dit wijkteam zijn een aantal medewerkers verantwoordelijk voor de hulp aan ouders en een aantal voor de hulp aan kinderen. Dit betekent dat Dorien en de kinderen een eigen wijkteammedewerker als hulpverlener toegewezen hebben gekregen. De medewerker die aan Dorien gekoppeld is kan niet kijken in het dossier van de kinderen. Zij vindt het koppelen van de dossiers tot één plan voor het hele gezin ook geen goed idee. Dan krijgen alle hulpverleners van het gezin alle informatie over de gezinsleden te zien en dat is niet in overeenstemming met de regels rond privacy. Een eenduidig en compleet beeld over de situatie van het gezin ontbreekt hierdoor wel.
Dilemma
Hoe kan een heel gezin in beeld komen (1 gezin, 1 plan) zonder de privacy van de verschillende gezinsleden te schenden?
Lees hieronder de toelichting.
De wetgever heeft in de Jeugdwet gemeenten tot doel gesteld te werken met ‘1 gezin, 1 plan’ (1 regisseur). Daarmee lijkt te worden bedoeld dat alle informatie over een gezin in één plan moet worden opgenomen. Hulpverleners die uitvoering geven aan dit plan zijn bang dat zij daardoor inbreuk maken op de privacy van de desbetreffende gezinsleden.
We onderkennen de uitdagingen waartegen de hulpverleners aanlopen. Tegelijkertijd verwachten we dat relevante informatie over verschillende gezinsleden aan elkaar wordt gekoppeld. In een gezin beïnvloeden verschillende gezinsleden elkaar. Er is een dynamiek die belemmerend kan werken op de vooruitgang, zoals het kleineren en slaan door Damian. Het werken met ‘1 gezin, 1 plan’ betekent dan ook niet dat alle informatie in één gezamenlijk plan terecht moet komen. Informatie over de problematiek van de gezinsleden of inhoudelijke overwegingen komen in de eigen dossiers van de gezinsleden. In ‘1 gezin, 1 plan’ staan alleen de uit te voeren activiteiten, wie deze uitvoert of uitvoeren. En wat de doelen zijn. Alle betrokken hulpverleners en de cliënten hebben toegang tot dit plan. Maar alleen díe informatie wordt gedeeld die noodzakelijk is voor goede hulpverlening aan het hele gezin. Op deze manier komt de privacy van de afzonderlijke gezinsleden niet in het geding. De organisatie die het wijkteam aanstuurt, kan het team hierbij helpen. Het wijkteam kan het plan zelf maken, maar er bijvoorbeeld ook voor kiezen het plan te laten opstellen door de cliënten. Zo kunnen zij zelf het overzicht bewaren over wat er met de informatie gebeurt. Ook dan is het belangrijk dat het wijkteam erop toeziet dat enkel díe gegevens in het dossier worden opgenomen, die noodzakelijk zijn voor de hulpverlening.
Kabinetsvisie over gegevensuitwisseling en één gezin één plan (pdf-bestand, 728 kB)
De wijkteammedewerker die aan Dorien is gekoppeld, heeft haar diverse malen gebeld. Ze wil contact met Dorien: van de vrouwenopvang heeft ze een verzoek tot inzet van hulp ontvangen. Vandaag belt ze nogmaals naar Dorien. Als ze geen contact krijgt, zal ze bij haar thuis langs gaan. Dan kan ze meteen de situatie ter plekke bekijken. Uit de informatie van de vrouwenopvang blijkt dat er ook kinderen in het gezin zijn.
De wijkteammedewerker krijgt Dorien eindelijk aan de telefoon. Ze is aan het winkelen, dus heeft niet veel tijd. Dorien geeft aan niet open te staan voor een gesprek. Ze vindt dat niet nodig, want zij kan haar problemen zelf wel oplossen. De wijkteammedewerker is hier niet gerust op.